Het losgetrilde inzicht

Het losgetrilde inzicht

Auteur: Jac. Dijkstra
Uitgever: Uitgeverij Boumaar, Zutphen
Uitgifte: 2003
ISBN: 90 73836 80 8

Aanvullende informatie
Een studie over de wisselwerking tussen tekst en beeld in de Bommelstrip.
Voorwoord:
Stripverhalen worden vaak niet tot de echte literatuur gerekend. Taal wordt belangrijker gevonden dan
tekeningen. Er bestaat bij literaire critici veel meer interesse voor het woord dan voor beelden. Dit logocentrisme stamt uit de middeleeuwen en heeft onze gehele westerse cultuur doordrenkt.
De arrogantie van literatoren gaat soms zelfs zover, dat zij zich een oordeel aanmatigen over beelden zonder het geringste theoretische fundament. Zelf heb ik dit ondervonden toen ik redactielid was van een literair tijdschrift. Natuurlijk komt zo'n benadering voort uit kortzichtigheid, maar ik herinner mij dat ik het er toen knap lastig mee heb gehad.
Mijn jeugd heb ik doorgebracht in een echte volksbuurt. Gelezen werd er niet veel; alleen de jeugdboeken van de Arbeiderspers stonden bij ons in de boekenkast. Mijn eerste kennismaking met stripverhalen ontstond door een buurjongetje. Ik mocht van hem enkele avonturen lenen van Kapitein Rob. Ook nu nog voel ik die vreemde spanning die over mij kwam toen ik aan het lezen/kijken raakte. Ze is nooit weer weg-
gegaan.
Bij mijn studie Cultuurwetenschappen bemerkte ik datbeelden essentieel zijn. Zij geven informatie die evenals teksten 'gelezen' kan worden. Het probleem is echter dat er weinig onderzoek is verricht naar de manieren waarop dit kan gebeuren. Bij stripverhalen staaf de combinatie tekst/tekening centraal. Eigenlijk betreft het medium strip een hybride combinatie van twee verschillende informatiestromen.
Dit is bij de tekststrip van Heer Bommel al helemaal het geval. de tekst is een verhaal en de tekeningen vormen ook een verhaal. Nu is de literaire acceptatie van deze Bommelverhalen van Marten Toonder een feit.
De plaatjes echter zijn met de nodige minachting behandeld. Vaak werden ze extra verkleind om het woord nog meer ruimte te bieden. Ook Toonder zelf heeft hier aan meegedaan. Zijn broer, de literator Jan Gerhard Toonder, beweerde zelfs dat de Bommelverhalen
op een gegeven moment zonder tekenstrook zouden kunnen verschijnen.
U begrijpt ondertussen wel hoe vreselijk ik dit alles vond en toen mij de kans geboden werd om mijn studie af te ronden met een scriptie over de relatie tussen tekst en beelden in de Bommelstrip heb ik deze kans benut.
Het ging mij dus om. de emancipatie van het beeld. Maar hoe onderzoek je zoiets?

Een eerste gedachte was om de theorie te bestuderen. Er zijn immers diverse mensen afgestudeerd op Bommel. Ook is er verschillende malen aandacht aan de Bommelstrip besteed in literaire bladen. Deze theorie heb ik bestudeerd. Ik merkte dat er een aantal benaderingen waren te constateren. In de eerste plaats heb je onderzoekers die de tekst centraal stellen. De plaatjes benoemen zij als illustratie. Volgens mij kun je alleen spreken van illustratie als de tekening informatie uit de tekst herhaalt en dat is bij de Bommelstrip vaak niet het geval.

Ook trof ik onderzoekers aan die de tekeningen centraal stellen, waarbij de tekst een ondersteunende rol wordt toegedicht. Slechts één onderzoeker noemde het begrip wisselwerking, maar vond tegelijkertijd dat de plaatjes centraal staan. Dit nu, u zult het met
mij eens zijn, is onmogelijk. Bij wisselwerking staat nu eens de tekst, dan weer het beeld centraal, anders is er geen wisselwerking mogelijk.
Een aantal korte artikelen in Bzzlletin zette mij op het goede spoor. De tekst en het beeld vertellen beide een deel van het verhaal. Erg belangrijk vond ik een kort artikel van Aart van Zo est, Droit de response geheten.
Hierin probeert hij Nico Scheepmaker te overtuigen van de meerwaarde van de Bommelstrip. De verschillen tussen tekst en beeld in het door hem besproken voorbeeld zijn opmerkelijk te noemen. Er is sprake van ironie, hyperboolvorming, understatement en dergelijke. Het contrast tussen tekst en bijbehorende beelden is eveneens opmerkelijk.

Door mijn studie van de theoretische bronnen kwam ik verder tot het inzicht dat je een verhaal op verschillende manieren kunt lezen. Je kunt letten op de gebeurtenissen zelf, de ironische verdieping (de dubbele bodems) en de diepere idee achter het avontuur. Bij de theoretische verdieping kreeg ik echter geen instrument in handen om de verschillen tussen tekst en beeld zelf in kaart te brengen. Na een tus-
senstop bij de wetenschap filmkunde, die mij door de specifieke eigenheid van het medium film niet het gewenste resultaat bood, kwam ik bij de tekstwetenschap der retorica terecht.
Retorica, een van de wetenschappen van de oude Grieken, is traditioneel gericht op openbare redevoeringen. In de loop der tijden is het aandachtsgebied steeds meer verscho- ven naar literaire teksten en naar teksten in het algemeen. Het gaat erom stijl- en betekenisverschijnselen te herkennen en te benoemen. Er van uitgaande dat het stripverhaal ook een tekst is, moest het mogelijk zijn te verwoorden welke verschijnselen zich voordoen in de tekst en de tekeningen. De wisselwerking tussen tekst en beelden staat hierbij centraal. daarover gaat dit boek.

Afbeeldingen