Panda volledige werken deel 34

Panda volledige werken deel 34

Auteur: Marten Toonder
Uitgever: Uitgeverij Panda, Den Haag
Uitgifte: september 2012
ISBN: 978 90 6438 434 9

Aanvullende informatie
Inleiding

Het begin
Marten Toonder (1912-1995) tekende al vanaf zijn jongste jaren met groot
enthousiasme, maar het duurde tot mei 1933 voor hij zijn eerste stripverhaaltje
geplaatst wist te krijgen: Tobias in het weekblad Ideaal. Daarna volgden al snel
allerlei strips in andere weekbladen. Zijn werk viel blijkbaar op, want in maart 1934
volgde zijn eerste publicatie in een dagblad: Thijs Ijs, de witte beer. Deze ondertekst-
strip was gebaseerd op de Engelse Rupert Bear, in Nederland bekend als Bruintje
Beer. Hij bekwaamde zich hij verder in het tekenen van illustraties voor boeken en
tijdschriften en in allerlei strips. In maart 1941 wist hij zijn strip Tom Poes onder te
brengen. Omdat hij toen al vijf stripreeksen moest verzorgen, begon het werk hem
boven het hoofd te groeien en daarom trok hij in 1942 zijn eerste medewerker
aan: Wim Lensen, op 11 januari 1943 gevolgd door de toen vijf tienjarige Frits
Godhelp. Toonder zag ook spoedig het nut van het produceren van prentbrief-
kaarten, puzzels, spellen en wandplaten, want die leverden belangrijke inkomsten
op. Al snel nam hij meer medewerkers aan, die bij hem het vak konden leren en
die voor hem meteen een continuïteit in de productie betekenden. Samen met dat
veelal jonge talent werkte hij aan steeds weer nieuwe opdrachten: stripverhalen en
tijdschriftillustraties. .

Een nieuwe strip
Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog begon Toonder al plannen te maken
voor publicaties na de Bevrijding. Eén daarvan omvatte avonturen van een kleine
panda-beer: Plukkie Panda. Deze nieuwe hoofdfiguur werd een mooie variant op
Ollie B. Bommel, die in de oorlog al in heel wat Tom Poes-verhalen had opgetreden.
Panda kreeg van zijn goede vader een rijksdaalder mee en zo moest hij maar de
wijde wereld intrekken en op zoek gaan naar een goede betrekking. Hij bleek, net
als heer Bommel, een goedzak te zijn, die niet veel wijzer werd van al zijn ervarin-
gen. Ook deze jonge stripheld had steeds nieuwe tegenspelers nodig, die aan elk
verhaal weer een boeiende inhoud konden geven. Panda ging wonen in het fraaie
landhuis Hobbeldonk en hij had ook een huisknecht,Jolliepop.
Het eerste Panda-verhaal is duidelijk geïnspireerd op het grootse Middeleeuwse
epos Van den vos Reynaerde en zo ontmoet Panda de lepe vos Joris Goedbloed.
Deze maakt steeds weer gretig misbruik van de onbevangenheid van Panda. Goed-
bloed is dan ook in veel verhalen de tegenspeler van Panda.

Talentvolle medewerkers
Marten Toonder heeft het personage Panda en diens leefwereld bedacht en op-
gezet, maar hij moest al spoedig veel ervan uit handen geven. Voor de plots en
scenario's van de verhalen, voor het schrijven van de teksten en voor het tekenen
van de stripstroken alsook voor het inkten daarvan, had hij een aantal talentvolle
medewerkers bij de hand. Toen in december 1946 deze nieuwe strip van start kon
gaan, was er voldoende zekerheid om een lange reeks verhalen te garanderen.
In de loop der tijd bedachten en schreven Dirk Huizinga,Jan Gerhard Toonder
en Lo Hartog van Banda verhalen van de kleine beer. Na 1966 werden die verder
verzorgd door Eiso Toonder en een paar keer door Harry Geelen. Voor het tekenen
van de strips werden Ben van Voorn en Harry Hargreaves de belangrijkste mede-
werkers, terwijl tot het jaar 1970 Andries Brandt, Dick Matena, Fred Julsing,Jan
Steeman en Jan van Haasteren hun bijdragen leverden; soms aan een paar strip-
stroken, soms ook aan een heel verhaal. Het inkten van de tekeningen werd,
behalve door Marten Toonder zelf, aanvankelijk gedaan door Wim Lensen en
René Zwartjes, maar voor meer dan vijftig verhalen door Richard Klokkers, zo
nu en dan afgewisseld door Dick Matena. De Panda-strip werd de langstlopende
Nederlandse strip ooit gepubliceerd - 13.819 afleveringen - die gedurende 45 jaar l;
ononderbroken trouw elke dag in de kranten stond.

Goede wijn behoeft geen krans
Vanaf september 1970 tekende en inkte Piet Wijn de Panda-verhalen en vanaf
1978 bedacht en schreef hij ze ook, toen de vorm werd gemoderniseerd en de
strip niet langer verscheen met onderteksten, maar met ballonteksten.
In 1970 tekende en inkte Wijn ook al de strips van Koning Hollewijn en van
Kappie, terwijl hij vanaf maart 1971 eveneens de Bommel-strip voor Marten
Toonder in potlood opzette en deze zo nu en dan ook inkte. Piet Wijn was
toen al een zeer ervaren striptekenaar, want hij had al veel prachtige en sfeer-
volle stripreeksen op zijn naam, zoals Verowin, De Zwarte Hertog, Aram van de
Eilanden, Puk en Poppedijn en stripverhalen voor het meisjesweekblad Tina.
Vanaf 1975 zou hij, naast het tekenen van de Bommel-strip en het schrijven
en tekenen van Panda - Kappie was inmiddels gestopt -, zijn grootste succes
op poten zetten, de sprookjesachtige strips van de dwerg Douwe Dabbert, wiens
avonturen vloeiden uit de pen van Thom Roep. Wijn tekende van Douwe
Dabbert meer dan 1.000 pagina's en inkte deze ook zelf.

Overdracht
Marten Toonder was zo tevreden met zijn trouwe medewerker, dat hij de
Panda -strip helemaal aan Wijn wilde overdragen. In 1981-1982 verschenen bij
uitgeverij Oberon twee bundelingen van Wij n's Panda-verhalen en daar mocht
hij zijn naam al in vermeld zien, op het titelblad. Bij de overdracht van de reeks
stelde Marten Toonder wel dat Joris Goedbloed voortaan exclusief gereserveerd
bleef voor zijn Bommel-strip en dat de sluwaard dus niet meer mocht optreden
in de Panda-verhalen.
Het geluk dat Joris Goedbloed ogenschijnlijk altijd had, was voor Piet Wijn
reden om in het eerste Goedbloed-loze verhaal in de nieuwe vorm een 'onge-
lukszoeker' te laten opdraven. Opmerkelijk genoeg begreep Toonder dit niet,
want hij schreef in 1978 aan Bert Kroon, directeur van de Toonder Studio's,
dat hij eigenlijk niet erg tevreden was met de plot van het nieuwe verhaal. Het
bleek voor Toonder dus blijkbaar nog steeds heel moeilijk om zijn scheppingen
echt los te laten. Het precieze 'waarom' van zijn bezwaar over het verhaal hield
hij voor zich.

Zestien jaar lang tekende Wijn de Panda-verhalen, totdat hij in september
1986 werd getroffen door een herseninfarct, waardoor hij aan zijn rechterzijde
verlamd raakte; zijn rechterhand kon hij dus niet meer gebruiken. Maar met
ijzeren wilskracht en met de voortdurende steun van zijn geliefde vrouw Ina
ging hij revalideren en hij dwong zichzelf daarbij om zijn tekenpotlood voort-
aan door zijn linkerhand te laten doen wat hij wou: tekenen!
Na vijf jaar kon hij het tekenen van de Panda-strip opnieuw op zich nemen,
waarbij Frits Godhelp voor het inktwerk zorgde, totdat in 1992 een tweede
infarct hem definitief uitschakelde. Nu weigerde ook zijn linkerhand dienst.
Dat was het definitieve einde van een groot stripmaker.
Pieter Cornelis Wijn was een van de begaafdste stripmakers die Nederland
rijk was. Hij heeft het aangedurfd om de Panda-strip te vervolgen in de vorm
met ballonteksten en hij kon in drie plaatjes en met een minimum aan tekst de
lezer boeien en reikhalzend doen uitkijken naar de volgende aflevering. Hij wist
aan het eind van elke dagaflevering een spanningsmoment ('cliff-hanger') neer
te zetten, iets dat veel moeilijker is dan bij een ondertekststrip, waar veel meer
ruimte is voor het opbouwen van de dagelijkse verhaalclimax. Er zijn maar
weinig stripmakers die dit talent hadden of hebben.

Verantwoording
In elke band van deze Integrale Uitgave van De avonturen van Panda zal steeds
zo goed mogelijk worden aangegeven wie er aan de daarin opgenomen verhalen
heeft meegewerkt.
De redactie

Afbeeldingen