Een mooie handel. Bommel in opdracht

Een mooie handel. Bommel in opdracht

Uitgever: De Bezige Bij Amsterdam
Uitgifte: 2012
ISBN: 978 90 234 6948 3

Aanvullende informatie
Inleiding:
Toen Amerika in 1941 Duitsland de oorlog verklaarde en Amerikaanse producten in bezet Nederland niet meer welkom waren, verdween de
Mickey Mouse-strip uit De Telegraaf, waar Tom Poes hem opvolgde. Tom Poes was een onmiddellijk en doorslaand succes, waar de com-
mercie zich al snel op stortte om een graantje van dat succes mee te pikken, want ondanks oorlog en bezetting draaide de maatschappij
tot 1944 min of meer normaal door en Tom Poes profiteerde daarvan. De interesse van de reclamewereld om met behulp van Tom Poes
producten aan de man te brengen was groot. Zó groot dat Marten Toonder binnen de kortste keren aan het hoofd stond van een studio met talloze medewerkers, die zich voornamelijk bezighielden met de Tom Poes- en Bommel-commercie. Merchandising heette dat: het
commercieel exploiteren van populariteit om de gunst van het kopend publiek te verwerven.
En die gunst werd verworven. Op grote schaal, in de oorlog en daarna, tot op de dag van vandaag. De kwaliteit van die reclame en merchandising, vooral.die met Tom Poes en Heer Bommel, hield Toonder even scherp in-de gaten als die van zijn strips. Als de opdracht aangenomen was, overlegde hij gewoonlijk eerst met de studio chef wie van zijn medewerkers, freelancers meestal, studiokrachten soms, wát zou doen.
Daarna gingen tekenaar en schrijver aan de slag. Die schrijver was doorgaans Lo van Banda, zijn rechterhand waar het 't bedenken van
plots en het meeschrijven aan verhalen betrof - behalve Bommel, die schreef Toonder van begin tot eind zelf. Over ieder onderdeel van het
werk liet hij zich op de hoogte houden en pas als, een en ander naar zijn zin was, werd het resultaat aan de opdrachtgever getoond. Tenslotte
werd alles gepubliceerd onder zijn naam, die al snel een merknaam werdMerchandising en reclame brachten flink wat geld in het laatje, zó
veel dat Toonder zich al snel kon gaan wijden aan het realiseren van een droom: tekenfilms maken. Reclamefilms in eerste instantie, om
met de verdiensten daarvan uiteindelijk een avondvullende Tom Poes en Heer Bommel- tekenfilm te maken.
Die film ambities maakten hem lange tijd meer zakenman dan kunstenaar. Een woord dat hem, als het over strips ging, met weerzin ver-
vulde, ook met betrekking tot zijn eigen werk dat hij op z'n hoogst zag als ambacht. Pas laat in zijn loopbaan, toen hij begon te beseffen wat
zijn Tom Poes en Heer Bommel betekenden voor het culturele leven van Nederland, bracht hij kunst weleens in verband met beeldverha-
len, zij het schoorvoetend, en zelden met die van hemzelf. Die bescheidenheid was oprecht, zoals ook zijn verbazing over het altijd maar aan-
houdende succes van Tom Poes, of Heer Bommel, wat u wilt, oprecht was.
Toen ik, geboren in 1943, me zo rond mijn vierde jaar bewust werd van mijn omgeving moet ik toch gedurende enige tijd gedacht hebben
dat ik een stripfiguurtje was, levend in de wereld van Marten Toonder: ik sliep op een Tom Poes-kussen en onder Tom Poes-lakens in een kamer waarvan de muren bedekt waren met Tom Poes-behang en werd voorgelezen uit Tom Poes vertellingen. Bovendien voorzag een van huis tot huis gaande bladenverkoper mij regelmatig van het Tom Poes weekblad, boordevol strips waarvan ik de plaatjes bekeek en herbekeek tot ik ze uit mijn hoofd kon tekenen, hád ik toen al kunnen tekenen.
Het was dan ook niet écht een mirakel dat ik, tóen ik dat kon, op de Marten Toonder Studio's belandde, waar Toonder zich verbaasde over
het gemak waarmee ik, pas 17 jaar oud, in zijn stijl uit de voeten kon. Ik niet, want, zie boven, ik was, zoals dat heet, in zijn stijl gepokt en gemazeld.
Zeven jaar, van 1960 tot 1968, heb ik voor de Studio's gewerkt, voornamelijk aan Panda-strips, maar ik potloodde ook drie Tom Poes-verhalen voor Toonder: 'De grauwe razer, 'De bovenbazen' en 'De wilde wagen'. Commercieel werk heb ik in die tijd nooit gedaan, merkwaar-
dig genoeg, want dereclameopdrachten bleven binnenstromen.
Vanaf 1968 ging ik mijn eigen weg, die pas eind jaren zeventig weer die van Marten Toonder kruiste, zij het nu sociaal. We raakten bevriend en zagen elkaar regelmatig, waardoor ik een andere Marten Toonder leerde kennen dan de werkgever die hij jaren voor mij geweestwas.
In mijn jeugd, als jong tekenaar, had ik hem vaak gevreesd. Hij was veeleisend en kon hard en genadeloos zijn in z'n kritiek. Hij eiste het ui-
terste van zijn medewerkers en sommigen bezweken daaronder. Anderen beten door en stegen, mede door die bijna ondraaglijke druk van
Toonder, boven zichzelf uit, met als resultaat prachtige strips en even mooie van die strip afgeleide commerciële producten, want Toonder zag geen verschil tussen beide: kwaliteit was kwaliteit, ongeacht het doel.
Die andere Toonder, de vriend, was hartelijk, geestig, gastvrij, tactvol en charmant, zodat de herinnering aan mijn jeugdige omgang met
hem, toen hij mij angst en ontzag inboezemde, meer en meer vervaagde. En toen kwam hij, in 1997, met een verrassend verzoek: wilde ik, samen met hem, de Bommel-strip waarmee hij in 1986 gestopt was, nieuw leven inblazen?

Of ik dat wilde? Natuurlijk wilde ik dat! Waarom zou ik niet nog één keer met deze milde man, dit vriendelijke, oude genie willen samen-
werken? Graag! Bovendien zou het in eerste instantie om het tekenen van Bommels en Poezen voor de commercie gaan: Hema-artikelen,
kopjes, bekers, scheergerei, douchegordijnen, versierd niet zijn figuren, kruimelwerk dus.
Maar niet onbelangrijk/vond hij. Zo kon ik beer en poes weer in mijn vingers krijgen, want die van hem stonden stijf van de artritis, zo-
dat hij nauwelijks meer een pen of penseel kon vasthouden. Mocht een ander in zijn ogen niet deugen, dan kon hij dat niet zoals vroeger,
even wegvlakken en van correcties voorzien. W át ik deed, moest ik dus goeddoen.
Fluitend ging ik aan de slag, maar, mocht ik gedacht hebben dat onze vriendschap en zijn ouderdom hem milder of minder kritisch gemaakt hadden, dan hielp hij me snel uit die droom. In zijn oude karkas huisde nog altijd een man van staal, die compromissen waar het zijn
Bommel betrof als vanouds afwees en in wiens markante kop nog steeds de ogen van een adelaar zaten, waarmee hij op een kilometer afstand zag dat de oren van Bommel een millimeter te groot waren of dat het lichtje op de neus van Poes een fractie uit het lood lag.
Dat kon ik, in mijn beginnende herfst, niet meer aan, zodat onze samenwerking uitging als een nachtkaars. Eén goede herinnering eraan
koester ik: vijftien stroken van een Bommel-verhaaltje gemaakt voor een geneesmiddelen fabrikant. Door ons samen verzonnen, door mij
getekend, en door Marten voorzien van onderteksten. De allerlaatste Bommel-teksten ooit door hem geschreven.
Hij vond het, karakteristiek, maar zozo. Ik ben er trots op.

Dick Matena

Afbeeldingen