De tekenwereld van Toonder

De tekenwereld van Marten Toonder 

In het leven en werk van Marten Toonder nemen de verhalen die hij schreef over Olivier B. Bommel en Tom Poes een belangrijke plaats in, maar ze spelen niet de hoofdrol. Dat zal de heer van Bommelstein misschien verdrieten – maar hij zal moeten erkennen dat hij nooit zo ver was gekomen, als zijn geestelijk vader niet hard aan zijn eigen carrière had gewerkt.

Zijn carrier begon… ja, wanneer? Misschien al toen hij zijn twee jaar jongere broer Jan Gerhard, zelf nog maar net tot praten en begrijpen in staat, verhalen ging vertellen. Want die drang tot vertellen loopt als een rode draad door zijn leven, en bijna al zijn andere activiteiten sproten er rechtstreeks indirect uit voort. Dat vertellen gebeurde na verloop van tijd met behulp van zelf ontworpen poppetjes van karton. Gelijk daarmee groeide het besef dat een goed verhaal afhankelijk is van de karakters die er in optreden. Daarom misschien betreffen z’n eerset vingeroefeningen op tekengebied veelal portretten. Van leerlingen leraren op school, van familieleden, van passagiers en bemanningsleden tijdens zijn zeereis naar Zuid-Amerika in 1931, toen hij 19 was.

Van vertellen kwam voorlopig niets toen hij als illustrator bij een Leidse uitgeverij/drukkerij in loondienst kwam. En toch – hoe meer hij het werk van anderen bestudeerde en hoe meer vertrouwen hij kreeg in zijn eigen talenten, hoe meer het verhalend element naar voren kwam in zijn tekeningen voor de tijdschriften die het bedrijf uitgaf. En in bijvoorbeeld de boekomslagen die hij na zijn ontslag, in 1938, ging maken. Die leidden er trouwens toe dat hij zich in verschillende verftechnieken ging verdiepen. De magie van het medium stip had hij al jong aangevoeld, maar het duurde vele jaren en enkele experimenten voordat hij het als een serieus communicatiemiddel ging gebruiken. De eerste aanzet daartoe was misschien ’Japie Makreel’- een beeldverhaal dat midden 1940 in het weekblad ‘Doe Mee’ verscheen.

De teksten onder de eerste zes afleveringen werden dor Martens vrouw Phiny verzorgd; daarna nam hij het schrijven over en ontdekte al spoedig  dat de combinatie van tekeningen en tekst de vertelling niet alleen kon verduidelijken maar ook verrijken. Die Tom Poes verhalen waren in het begin nog duidelijk verzonnen. Maar er kwam een verdieping in toen heer Bommel met strips binnenstapte en zich langzamerhand ontplooide tot een karakter met een geheel eigen gevoelsleven. De avonturen bleken aan te slaan, zodat er voor het einde van datzelfde jaar door Wim Sonneveld al een toneelstuk over werd opgevoerd en opdrachten voor en Tom Poesspel, legpuzzels en prentbriefkaarten binnen kwamen. Teveel werk voor één man, zodat Marten medewerkers nodig had. Hun aantal breidde zich snel uit toen hij aan de productie van een getekende hoofdfilm begon. Zo had hij op een gegeven moment 118 mensen in dienst. Bovendien deed de verzetsbeweging een beroep op hem: hij kreeg vervalsingen te maken van stempels, bonkaarten, briefhoofden, Ausweise, Marschbefehle e.d. Daarnaast bleef hij ook de Tom Poes-stirp doen: maar toen de Telegraaf door de SS werd overgenomen, stopte hij midden in een avontuur, liet de hoofdfiguren in het verhaal onderduiken en zichzelf overspannen verklaren.

Door deze oorlogsomstandigheden bleef er weinig ruimte over om verhalen te vertellen. Hoewel de prenten die hij voor het ondergrondse blad ‘Metro’ maakte (in een nieuwe stijl overigens, zodat de hand van de Tom Poes tekenaar er niet in bekend kon worden) boekdelen spraken. Spot en politieke prenten bleef hij na de oorlog nog een tijdje maken. Maar daarnaast startte hij nieuwe strips: ‘Kappie’(1945) ‘Panda’ (1946). Beide bleken van de maker van zulke sterke hoofdfiguren meegekregen te hebben, dat ze tot 1972, resp. 1990 gepubliceerd werden, nadat ze omstreeks 1948 door medewerkers waren overgenomen.

Marten begon eind 1947 ook weer met Tom Poes, nu in andere dagbladen; in verhalen en met karakters die steeds sterker een eigen wereld vormden. Op zijn studio’s kreeg met al spoedig Tom Poes weekstrips en het Tom Poes weekblad te maken, naast andere strips en tekenfilms voor Engelse en Duitse commerciële televisie. Bovendien produceerde hij enkel korte, vrije films zoals, onder andere, ‘De Gouden Vis’(1952) ‘Suite tempirouette’(1954) en ‘Moonglow’(1955)

In die periode begon Marten te experimenteren met pen en penseeltechnieken; zijn strip ‘Koning Hollewijn’(1954) was daar een voortvloeisel van. Datzelfde jaar werd hij benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde – een onderscheiding die hem aangenaam verraste, want tot dan had hij zichzelf nauwelijks als een schrijver gezien. Zijn drang tot vertellen dreigde in de loop der jaren in de verdrukking te raken door zijn ondernemerschap. Dat was een van de redenen waarom hij in 1965 beslot om zich in Ierland te vestigen en zich daar op het maken van de Tom Poes strip toet te leggen. Op 20 januari (Marten was toen 73 jaar) verscheen de laatste aflevering daarvan in de krant – maar op aandrang van de oplettende lezertjes herdrukte het NRC Handelsblad nog tot 1 april 1998 de avonturen van heer Bommel en Tom Poes. Intussen was Marten nog niet helemaal uitverteld. Naast enkel essays verschenen er dichtbundels en ook schreef hij een autobiografie die in drie delen uitkwam.

ESO J.G. TOONDER


Ook in de Toonder studio's zijn de boekjes geschreven en getekend van Arretje Nof. In opdracht van Calvé Delft. Onderaan deze pagina een afbeelding van de boekjes die ik in mijn verzameling heb.



Afbeeldingen

Arretje en het raadsel van de stokertjes
Arretje Nof en de vuurgeest
Barrebart, de wildeman uit de bergen
Het roverseiland in de Perzische zee
De draak en de Chinese Prinses
Brekkek -kwak-kwak en de zeven woudmannetjes
De vrolijke bruiloft van Arretje en Annetje